Een beetje geluk!
De groene rups draait zijn dagelijkse rondjes om zijn appelkroos, terwijl hij er verlekkerd naar kijkt; tong uit zijn mond, wangen bol opgeblazen, ogen half geloken. Je kunt jezelf afvragen of hij deze smakelijke appel zelf voor een groot gedeelte heeft verorberd. Aan zijn goed gevulde rondingen te oordelen, zou je denken van wel. Een kleurrijk bordje bij het ingangspoortje geeft met sierlijke gouden letters aan dat het hier om een ‘Appelcarrousel’ gaat, verder staan er in drie verschillende talen enkele restricties weergegeven, die in acht genomen moeten worden bij het betreden van de draaimolen. Ook zijn er restricties in de vorm van pictogrammen weergegeven. Men hoeft een van de drie talen niet machtig te zijn om te weten wat er niet mag, maar wel moet, om een rondje in de melige Rups mee te mogen rijden. Zo staan er in een groene cirkel een paar schoenen afgebeeld, ‘verplicht’ staat er voor de duidelijkheid in zwarte drukletters in de spreektaal van Fantasiestad tussen de schoenen in geschreven. Dat moge duidelijk zijn, het is niet de bedoeling de Rups schoenloos te betreden. Links daarnaast staan in cirkels van de zelfde grote ander figuren afgebeeld. Dit keer zijn de randen rood gekleurd en staat er voor de duidelijkheid een diagonale streep doorheen van dezelfde signaalkleur. Het ene rondje, het middelste van de drie, bevat een zwarte paraplu en een kleine rechthoek met een soort pootje eronder, ook zwart. In het meest rechtse pictogram vallen twee zwartgekleurde poppetjes bijna uit vierkantjes op wieltjes, die sterk aan de schuitjes van de rijdende Rups doen denken.
Toen het bord geplaatst werd heeft Aldemar er zeker twintig minuten met opgetrokken wenkbrauwen, lichtelijk verbaasd naar staan kijken. Waarom zou je een paraplu meenemen voor een ritje in de rups? In al zijn jaren als hoeder van deze attractie heeft het nog nooit geregend in de grote hal waar hij, de appelkroos en de Rups staan opgesteld. Het vierkantje met het pootje heeft iets met elektronica te maken, de zin ervan ontgaat hem. Hij ziet de laatste tijd regelmatig personen met dat soort rechthoekjes in de weer. Soms praten ze erin, maar meestal staren ze ernaar, net zolang totdat deeltjes van hun ziel via hun ogen in het apparaatje verdwijnen en ze steeds minder aandacht hebben voor de reële wereld om hen heen. Ook snapt hij niet waarom personen uit de schuitjes zouden willen vallen of geen schoenen zouden willen aantrekken. Zelf heeft hij altijd schoenen aan, keurig gepoetst, hij trekt ze alleen uit als hij zich ten ruste legt. De bovenste twee pictogrammen snapt hij wel. Doormiddel van een oranje en een groene cirkel en weer die zwarte poppetjes, worden geboden uitgebeeld dat personen onder de 90 cm alleen onder de begeleiding van een volwassene toegang hebben. Dit heeft zin volgens Aldemar, uit ervaring weet hij dat kleinere persoontjes het in hun eentje niet altijd naar de zin hebben in een attractie en daar houd hij niet van. Zijn bedoeling is het juist iedereen naar de zin te maken, ook diegene die zich moeten dubbelvouwen of zo breed zijn dat ze bijna uit de schuitjes van het lijf van de, zelf ook best corpulente rups, puilen. Helemaal aan de onderkant van hat bord staat de regel ‘U bent ten allen tijde verplicht de instructies van medewerkers op te volgen’. ‘Zo, dat weten we dan ook weer’ denkt Aldemar met een kleine glimlach alvorens zich om te draaien en vlijtig aan zijn dagelijkse taken te beginnen, om daarna zelden nog een blik op het bord te werpen. Want buiten de restricties is er geen discriminatie, iedereen die dat wil mag een rondje in de rups maken, iedere dag van het jaar. Dikke kindjes, dunne kindjes, kindjes met flapoortjes, met ronde buikjes, met ingevallen wangetjes, rood haar, sproeten, grote groene druipers in hun neusgaten, zwarte wallen onder de ogen, kinderen die zwart zijn, of wit, rood, geel, licht bruin,….Iedere dag van het jaar verwelkomt Aldemar de kinderen en hun ouders bij het ingangspoortje met een stralende glimlach. Adriaan, Benedict, Jasper, Mohammed, Sofietje, Marieke, Janneke, Alexander, Jing, Maarten, Tommie, Klara, Sonja, Gijsbrecht, Fin, Bennet, Carolien, Susanne, Dries, Mia, Joris, Vera, Pieter, Kobus, Patrick, Patricia……maar ook Vlinder, Storm en Ilvie zijn zeer welkom om een paar rondjes om de appelkroos heen te maken. De rups rijdt niet snel om zijn appelkroos, hij volgt het spoor steeds in de zelfde richting, in een cirkel, zonder omhoog, omlaag, dan wel scherpe bochten te nemen. Terwijl het in de hal om de carrousel heen steeds hoger, sneller en uitdagender moet zijn, blijft de rups in zijn eigen tempo eenvoudige, bijna lome rondjes draaien. De kinderen, die fantasiestad een bezoek brengen, worden uitgedaagt steeds hoger te klauteren in talloze klimkastelen in felle kleuren, vanaf een duizelingwekkende hoogte kan er vervolgens vliegensvlug naar beneden gegleden worden, een achtbaan zoeft om de paar minuten langs met een kakofonie van opgewonden gilletjes en geraas van de wielen op het spoor dat de lucht doorklieft; eerst gevaarlijk schuin gekanteld naar links, dan bijna zonder overgang weer naar rechts om vervolgens in een diep gat te vallen, waaruit het zich weer ratelend naar boven zwoegt en wanneer er dan nog een beetje tijd over is alvorens naar de volgende hal vol fantastisch vermaak te gaan, zet men zich in een schommeltje van de zweefmolen die zich zo snel omwentelt dat je het gevoel krijgt dat je ingewanden niet op de zelfde plek blijven zitten en je lichaam zich van dit universum losmaakt. Alleen de mensen met de kleintjes, die een iets andere tijdsplanning hebben dan die met de grotere kinderen en opgeschoten jongeren, die zich ongedurig van de ene lange rij in de andere opstellen, om oneindige minuten lang te wachten op de volgende kik die ze kunnen beleven in de talloze opzienbarende attracties die het park biedt, hebben oog voor de mollige rups, die gestaag en zich niets aantrekkend van het geraas van de rest, zijn rondjes om de appelkroos heen maakt.
Saai zou je zeggen. Ware het niet dat Aldemar voor een extraatje zorgt, een aardigheidje, een klein cadeautje, een niemendalletje dat diegene die het ontvangt altijd bij zich zal dragen. Mocht je dus besluiten om in deze grote hal van vermaak eventjes niet te kiezen voor grote snelheid, veel uitdaging, gevaarlijk schuin of over de kop, maar eventjes de tijd neemt om in de, meestal korte rij te gaan staan voor de hongerige rups, waar Aldemar je al staat op te wachten, dan lijkt dit me een prima keuze. Want iedereen, of je nou smal bent of dik, lang kort, geel, rood, bruin of zwart, juist heel klein of heel groot, ogen dicht op elkaar, onder de uitslag, zweetvoeten of slechte adem, of je nou Jan, Piet, Klaas, Fatima, Lutgar of Sonja heet, een gouden kruisje op je borst draagt of een keppeltje op je hoofd, iedereen, zonder uitzondering, wordt eventjes aangeraakt door Aldemar. Ik hoor het je denken: ‘Is dat alles?’ Ik hoor zelfs enkele van jullie verwonderd uitroepen: ‘Is dat wel in de haak? Is dat wel hygiënisch? Aangeraakt worden door een onbekende man, een man die er wel eens waar keurig uitziet, maar niet meer de jongste is. Een man die je niet kent, waarvan je niets weet. Waar heeft die man met zijn vingers aan gezeten? Heeft hij ze wel gewassen? Wie weet wat zo’n man onder zijn leden heeft?’ Ik zal bij deze proberen enkele van jullie ongerustheden weg te nemen door wat over Aldemar te vertellen. Veel weet ik er zelf ook niet van, maar wat ik weet zal ik met jullie delen. Ten eerste: Aldemar is inderdaad een keurige man, hij zorgt er voor dat zijn zwarte schoenen altijd glimmend gepoetst zijn, zijn korte grijze haar zit altijd in een nette scheiding zijn snor is altijd keurig gepunt. Zijn voorkeur gaat uit naar een zwarte bandplooibroek en een kreukloos gestreken wit overhemd. Sinds enige jaren is hij echter gedwongen een paarse polo te dragen met het logo van het pretpark in schreeuwerige gele opdruk op de rugzijde en ter hoogte van het borstzakje. Daar moest Aldemar erg aan wennen. Het is niet zo dat hij niet van felle kleuren houdt. Zelf poetst hij de wagentjes van de Appelcarrousel dagelijks glimmend op, zodat de felle groene en gele kleuren en de blauwe en rode lichtjes stralend oplichten tegen het wit van de appelkroos waar ze omheen cirkelen. Maar zelf heeft hij niet de intentie op te vallen in felle schreeuwerige kleuren, dat is tegen zijn aard, tegen zijn roeping. Want inderdaad, dat is het tweede punt, Aldemar is een man met een roeping. Naar mijn eigen bescheiden mening is het voor iedereen zinvol een roeping te hebben, met een roeping heeft het leven zoveel meer zin, het geeft echt cachet aan een persoon, iemand met een roeping straalt iets bijzonders uit. Het hoeft niet eens een bijzondere roeping te zijn, al is het maar de wereld om je heen proper te houden door het stoepje voor je huisdeur iedere dag blinkend schoon te schrobben of orde te brengen door er voor te zorgen dat de pennen in de pennenbak op kantoor altijd netjes gesorteerd zijn. Je kunt maar een roeping hebben. De roeping van Aldemar is ook best bijzonder. Zoals ik al eerder verteld heb, is het de bedoeling van Aldemar het iedereen naar de zin te maken. Hij helpt hoogbejaarde dan wel zwangere dames in en uit de karretjes van de carrousel, presenteert een doos tissues wanneer er geknoeid is met een ijsje en neemt huilende peuters aan de hand die hun moeder kwijt zijn. Maar daar houdt het niet mee op. Het blijft niet bij een helpende hand of een troostend gebaar, Aldemar geeft iedereen, maar dan ook iedereen die een ritje komt maken in de Appelcarrousel een beetje geluk mee. Dat doet hij door gewoon iemand eventjes aan te raken. Personen die in de rij staan voor de Appelcarrousel en langs Aldemar heen door het poortje gaan, raakt hij allemaal een voor een eventjes aan. De aanraking hoeft maar heel licht te zijn. Eventjes een aanraking tegen een bovenarm, een klopje op een schouder, een duwtje in de rug, bij de kleintjes een aai over een bolletje, een streling over een wangetje een zetje tegen het achterwerk tijdens het instappen. Tijdens deze aanrakingen, hoe licht ze ook zijn, is er eventjes contact en vindt er een uitwisseling van gelukdeeltjes plaats. Heel veel personen merken het niet eens, sommige mensen krijgen eventjes net wat meer kleur op de wangen en voelen een soort warmte door hun lichaam verspreiden, de meeste kinderen maken even een huppeltje voordat ze in het door hen gekozen wagentje klimmen. Er zijn ook enkele personen, vooral de kleine, die eventjes stilstaan en Aldemar aankijken, met of zonder glimlacht, soms een kort bedankje of een bijna onmerkbaar knikje van het hoofd, maar altijd met een vonk van begrip hun hun ogen, soms zelfs ook waardering. Dit zijn de momenten die Aldemar koestert. Deze momenten, hoe kort en hoe klein ook, geven Aldemar genoeg kracht en energie om door te gaan. Om dag in dag uit, zijn gelukdeeltjes over de mensen te verdelen, om zijn rups draaiende te houden en de personen die meerijden tevreden te laten zijn.
Het gaat wel eens mis. Niet vaak gelukkig, want als het mis gaat is dat niet fijn voor Aldemar, missers zorgen altijd voor consequenties en problemen die opgelost dienen te worden, waardoor Aldemar niet bij het poortje kan staan om zijn gelukdeeltjes te verdelen. Laatst nog, het was druk in het park, een extra vrije dag voor velen, een zondag waarop niet gewerkt kon worden en veel gezinnen besloten het park een bezoek te brengen. Aldemar maakt het niet uit of het druk of niet druk is in het park. Op rustige momenten, wanneer er niemand bij het ingangspoortje te wachten staat, maakt hij van de gelegenheid gebruik even met een vochtig doekje over de zittingen van de karretjes te gaan, de wieltjes onder diezelfde karretjes met een drupje olie te smeren of te controleren of alle blauwe en rode lampjes op de zijkant van de buiken van de rups nog voldoende helder schijnen, om waar nodig de lampjes te vervangen. Maar op deze specifieke dag was het erg druk en stonden er lange rijen bij de omringende attracties en ook bij de rups stonden er de hele dag mensen op een ritje te wachten. Aldemar genoot, er was genoeg te doen, een helpende hand hier, een tissue daar en huilende peuters in overvloed. Naarmate de dag vorderde, het liep al tegen vieren, zag je de blik in de ogen van de meeste mensen een stuk doffer worden. De verheugde verbazing en het enthousiasme van het begin van de dag, is tegen deze tijd bij de meeste mensen wel omgeslagen na het incasseren van zoveel prikkels, snoepgoed en vette happen. De kinderen zijn hangerig of overactief, de ouders lopen met doorgezakte schouders onder het gewicht van de toch legere rugzak, vermoeid achter ze aan, of voorop terwijl ze hun kroost meeslepen naar de plek van bestemming of proberen over te halen met beloften en complimentjes. De drukte neemt tegen deze tijd meestal af en inderdaad had Aldemar even gebruik kunnen maken van het rustige moment om een peertje aan te draaien in het derde schuitje van achteren, waar een blauw lampje aan het knipperen was. Wanneer hij opkijkt van zijn karweitje ziet hij dat er bij het gesloten ingangspoortje 2 personen staan te wachten; een dame met een bruin bob kapsel met een klein meisje aan de hand, die twee grappige vlechtjes in haar haar heeft. Kwiek staat hij op loopt naar het poortje, ontgrendeld het en strijkt even met zijn handpalm tussen de keurig ingevlochten vlechtjes over het hoofdje van het meisje. Dan volgen zich een aantal gebeurtenissen elkaar op in zo’n snel tempo, dat Aldemar even de kluts kwijt raakt. Het meisje kijkt vertederend naar hem op met een zoete glimlach, die ingebed ligt in een laagje softijs, wat hem niet minder oprecht maakt en waar Aldemar enkele seconden intens van geniet, terwijl zijn andere hand zich al losmaakt van het poortje om in de richting van de moeder, die ernaast staat, te gaan, om eventjes haar bovenarm aan te raken. Tegelijkertijd slaat de moeder een ijselijke gil, ze knijpt hard in het mollige handje dat ze vasthoud, waardoor de glimlach van het meisje veranderd in een pruillip en de eerste waterlanders zich al verzamelen in de hoeken van haar grote blauwe kijkers. Het ijsje, dat het meisje in haar andere hand vast hield, valt op de grond, de hand van Aldemar stokt even in de lucht, twijfelend tussen de doos tissue in zijn kantoortje en de bovenarm van de dame, welke hij nog niet heeft aangeraakt. Het meisje kijkt beteuterd naar beneden, de eerste tranen spetteren al op de grond, vervolgens kijkt ze omhoog naar haar moeder om samen met haar te wedijveren wie het hardst kan gillen. Dit trekt onder andere de aandacht van een man in een net pak met een trendy stropdas die zojuist voorbij komt lopen. Hij voegt zich bij het drietal en wanneer het volume van het gegil wat afneemt, vraagt hij naar de reden van het ongenoegen van de dames. Gerustgesteld door het nette pak van de meneer en zijn keurige manieren, komt de vrouw wat tot bedaren, wijst met trillende vinger naar Aldemar en verteld op hoge toon maar met horten en stoten dat deze oude man haar dochter heeft aangeraakt, dat ze daar niet van gediend is en dat Sofietje heel kwetsbaar is en niet aangeraakt wenst te worden. Sofietje gilt inmiddels ook niet meer maar staat inmiddels jammerend te kijken naar haar ijsje dat op de grond voor haar kleurrijke sneakers ligt weg te smelten. De meneer in het nette pak hoort het verhaal met gepaste ernst aan, kijkt vervolgens met gefronste wenkbrauwen naar Aldemar die er met hangende schouders er een beetje beteuterd bij staat, terwijl hij, net als Sofietje, intens naar het ijsje staart. Het gegil van zoeven heeft niet alleen de aandacht van het nette pak getrokken, er heeft zich een groepje belangstellenden om het drietal gevormd dat, geïnteresseerd staat toe te kijken, alsof het hier om een tovershow, die normaal gesproken in een hal verderop vertoond wordt, gaat. Net als het nette pak zijn mond open wil gaan doen, ontstaat er roering in het groepje, terwijl een forse man in vrijetijdskleding, gevolgd door twee opgeschoten jongens en een wat ouder echtpaar, zich een weg naar voren baant. ‘Wat is hier aan de hand?’ Buldert de forse man terwijl hij aangekomen op zijn bestemming Sofietje oppakt en dreigend om zich heen kijkt. De dame met de bruine bob begint meteen weer te krijsen, Sofietje besluit weer mee te doen en het zachte jammeren neemt weer in volume toe. De twee jongens en het oudere echtpaar hebben zich zo dicht mogelijk naast de forse man opgesteld, waardoor de mensen achteraan hun halzen moeten uitstrekken om te zien wat er toch allemaal gaande is. Even weet de, anders altijd zo daadkrachtige man in pak, ook niet wat te doen, overrompeld als hij is door het kabaal dat zelfs het gezoef van de achtbaan overstemt. Hij herstelt zich echter snel en handelt vervolgens doelmatig zoals dat bij zijn functie past. Wanneer het gekrijs, het gebulder en het gehuil even verstomd, nodigt hij de familie uit om met hem mee te gaan naar zijn kantoor waar ze in alle rust kunnen praten over het gebeuren onder het nuttigen van een kopje koffie, wat frisdrank of iets sterkers. Met gezag maakt hij een weg vrij door de fors uitgegroeide groep nieuwsgierigen en leidt ouders, kinderen en grootouders zo snel mogelijk en routineus de hal door naar een bijna verborgen deur via welke ze een gerieflijk kantoor betreden. Een jonge vrouw, met haar bril op het puntje van haar neus en een grijs mantelpakje aan, die zojuist met tien vingers het een en ander in een computer zit te verwerken, springt op het commando ‘Annet koffie’, snel op en neemt gedienstig de bestelling op. Een kopje cappuccino voor de mevrouw met de bruine bob, ‘er is ook Latte macchiato mevrouw’, ‘oh als dat niet te veel moeite is, dan graag’. ‘Voor meneer koffie, zwart? Blieft meneer iets sterkers erbij?’ ‘Ja, als dat zou kunnen?’ ‘Voor mij ook en mijn vrouw blieft een kop thee graag, ja dank u, lekker’. ‘De kinderen een glaasje ranja, of liever cola?’ Wanneer de bestellingen afgerond zijn en de jonge vrouw voor genoeg zitplaatsen heeft gezorgd, kan ze na een subtiele wenk van haar werkgever weer achter haar computer gaan zitten, waar ze haar tienvingerige werkzaamheden weer hervat. Even is het stil, iedereen nipt geconcentreerd van zijn of haar drankje, alleen het getik op het toetsenbord en heel zachtjes het geraas van de achtbaan gedempt door de gesloten deur, zijn te horen. Dan schraapt het nette pak zijn keel, zet zijn espresso neer, vouwt zijn handen en buigt zich samenzweerderig over zijn bureau naar de familie toe, die allen kaarsrecht in de stoelen zitten ieder met een kopje of glaasje in de hand. ‘Welnu’ begint hij, ‘welnu, ik geloof dat excuses van onze kant gepast zijn, ik kan u verzekeren dat het nooit in onze bedoeling heeft gelegen, u zo te schofferen en weet zeker dat dit ook niet weer eens zal gebeuren, ik zal er voor zorgen dat de desbetreffende medewerker een gepaste reprimande krijgt en een juiste schadevergoeding voor u lijkt me wel op zijn plaats, ahum, voor het aangedane leed….’ Hierbij kijkt hij de mevrouw met de bob ernstig aan, waarna ze onwillekeurig haar fijne handje naar haar iets rood oplichtende jukbeenderen brengt. Er valt weer even een betrekkelijke stilte, de forse man in vrijetijdskleding voelt zich nu ook genoodzaakt iets te zeggen, snel slikt hij zijn borrel achterover en begint dan met luide stem te verkondigen dat dit toch echt geen manieren zijn en dat ze maar van zijn vrouw en kinderen hebben af te blijven. Sofietje, die tot die tijd gefocust was op haar cola, kijkt op met alweer waterige ogen en een bijbehorende pruillip. Het nette pak haalt zijn gesloten handen uit elkaar om met rustgevende gebaren de boel te sussen, waarna zijn rechterhand even in zijn bureaula tast om met de daar gevonden fles het lege glas van de forse man nog eens bij te schenken. ‘Dank u’ mompelt de man, nippend aan zijn glaasje, hij voelt zich al wat rozig worden, en bedenkt dat hij nog naar huis moet rijden met zijn gezin en dus snel ter zake wil komen; ‘dit is natuurlijk niet in orde, ik eis dan ook excuses van die enge oude man, maar u had iets gezegd over schadevergoeding?!…’ Het nette pak glimlacht even subtiel, alvorens een snelle berekening in zijn hoofd te maken en na een korte onderhandeling, kan hij de familie alweer uitgeleide doen, uit zijn privédomein en richting de souvenirshop, waar de kinderen iets mogen uit zoeken op kosten van de zaak, als genoegdoening, als schadeloosstelling voor het aangedane leed, wat natuurlijk niet in geld is uit te drukken, maar waarover toch overeenstemming is gekomen tussen beide partijen. Ter hoogte van de Appelcarrousel, houdt het nette pak zich even in, ‘u zou hier nog even uw verontschuldigingen in ontvangst kunnen nemen’, biedt hij aan met een gebaar richting het toegangspoortje. De dame met het bobkapsel houdt zich ook even in, de rest van de familie loopt echter al door richting shop, de twee jongens zijn er al, terwijl ze driftig het ene stuk speelgoed na het andere betasten, uit de schappen halen en keuren. Sofietje trekt ongeduldig aan de hand van haar moeder, gezicht alweer op pruilstand, zei wil ook. ‘Laten we doorlopen’ zegt moeders berustend, terwijl ze zich door Sofietje laat meetrekken. Het nette pak haalt zijn schouders op, kijkt even richting Appelcarrousel en volgt dan de familie, om dit probleem zo snel mogelijk op te lossen zodat hij zich vervolgens de rest van de dag weer lekker kan opsluiten in zijn kantoor bij zijn gewillige secretaresse, zich er niet van bewust dat hij en de problematische familie wordt nagestaard door een niet begrijpende blik van Aldemar die bij het paarse huisje met het bedieningspaneel van de rups staat, waar hij bijna op gaat in zijn omgeving.