Prachtige herfstkleuren

Prachtige herfstkleuren

Brrr toet toet, brrrrrr. Iiiiiiieeeeee. Botsing! Zo, mooi! Op elkaar geknald! Tevreden klapt Paultje zijn handjes op elkaar, de autootjes bij de gescheurde knieën van zijn spijkerboek liggen kriskras door elkaar. Maar ja, zo gaat dat nou eenmaal met botsingen, die kun je niet netjes doen. Als Paultje eerlijk is, zijn er in zijn geval wel meer dingen die in die categorie vallen. Dit tot ergernis van zijn mama. Zijn mama is erg netjes. Zij moet de hele dag Paultjes rommel opruimen. Zij wilde dat hij, Paultje, ook wat netter was. Dan zou ze het niet zo druk hebben en wat gelukkiger zijn en niet de hele tijd zoveel ruzie hoeven maken met papa. Dat zou Paultje ook wel willen, dat mama niet zoveel ruzie hoefde te maken met papa. Beteuterd kijkt Paultje naar de botsingen voor hem op de grond en naar de scheuren in zijn spijkerbroek, want dat zal mama ook niet leuk vinden. Paultje kan namelijk geen spijkerbroek heel houden. Daar zal mama strakjes ook wel over mopperen. “Potverdorie, ik heb je al honderd keer gezegd je rommel op te ruimen, mama wil hier stofzuigen en ik moet ook nog koken anders hebben we dadelijk geen eten, ruim je spullen op anders gooi ik ze allemaal weg!” Verschrikt kijkt Paultje op naar de gedaante die zich donker aftekent in de deuropening tegen het warme gele lamplicht van de gang. Mama’s stem klinkt boos, ze heeft haar armen over elkaar geslagen en haar ogen staan niet lief en zacht. Dat maakt Paultje boos, boos en opstandig. Na zijn aanvankelijke schrik staat hij nu op en schopt baldadig naar zijn speelgoed. “Nee!” Roept hij boos. “Nee! Ik wil niet opruimen. Ik wil niet opruimen en geen eten, ik wil spelen!” Hij neemt een aanloop, duikt langs mama’s benen de gang in, stormt de trap af naar beneden en neemt bij de achterdeur even een pauze om zijn voeten in zijn rode regenlaarzen te wurmen, die netjes onder zijn jas en naast zijn gele emmertje staan opgesteld. Na enige aarzeling neemt hij ook zijn emmertje mee voordat hij de deur uitglipt, de frisse buitenlucht in.

Brrr, het wordt al echt een beetje fris zo tegen het eind van de middag. Ik trek mijn fleece vest wat dichter om me heen, mijn crocs maken een aangenaam knisperend geluid als ik door de droge bladeren loop. Hij is waarschijnlijk het bos ingelopen. Daar zat ie de vorige keer ook toen ie weggelopen was omdat ie moest opruimen, in de hut die hij daar met zijn papa heeft gemaakt. Koppig, doende alsof er niets aan de hand was, maar toch wel hongerig is hij toen gewoon weer mee naar huis gegaan. Zucht….. zal ie dat dan nooit leren, zal ie dan nooit naar mij gaan luisteren, wat doe ik verkeerd dat ik dat kereltje niet opgevoed krijg. Ik moet mijn ogen dichtknijpen tegen de laagstaande zon, wiens licht toch nog sterk is ondanks de filtering van de blaadjes van de boomkruinen die er zwart tegen afsteken. Toegegeven het bos heeft zijn bekoring deze tijd van het jaar, de kleuren zijn prachtig en er is sprake van rustig herfstweer volgens de weerman van RTL 4, die vanmiddag op tv was. Een vogel, die zojuist even verderop op een paaltje heeft gezeten, pikkend met zijn kromme snavel naar iets wat hij in zijn klauwen heeft, slaat zijn grote bruine vleugels uit en stijgt gracieus op, richting de bloedende zon. Wat voor een vogel dat is weet ik niet, wil ik ook niet weten. Ik interesseer me gewoon niet voor dat soort dingen, daarvoor heb ik het te druk. In dit gedeelte van het bos staan de bomen wat dichter op elkaar, ik moet hier ergens van het pad af om bij de hut van Paultje te komen weet ik nog. Ik ben hier maar twee keer eerder geweest. Een keer om het bouwsel te bewonderen wat Paultje met zijn papa heeft gemaakt en een keer om Paultje te zoeken toen hij de vorige keer was weggelopen. Toch weet ik nog precies waar ik moet zijn. Ik heb een goed geheugen voor dit soort dingen, een goed oriëntatie vermogen, gelukkig maar. Ah gevonden hier is de hut. Paultje kom er eens uit jongen, de piepers staan op, we gaan zo eten, dadelijk verpietert de hele boel, Paultje?! Geen reactie, nog even wat beter kijken, nee hij is hier niet, waar kan dat kind zitten. Paultje?! Paultje!!!

Brrr, koud. Ik ruk mijn fleece jas los van een van de grijpgrage stekelige takken die hier het pad steeds meer overwoekeren. Het koude vocht dat nu uit de grond komt zetten dringt door de gaten van mijn crocs naar binnen. Ik hoef mijn ogen niet meer dicht te knijpen tegen de felle zon en kan zonder moeite het contrast van de donkere bomen tegen het gele zonlicht in me opnemen. Iemand die hier meer vatbaar voor is dan ik zou dit sprookjesachtig mooi kunnen noemen en de vernevelde lichtsluiers door de ondergaande zon veroorzaakt, kunnen waarderen. Ik dus niet, ik hou niet van sprookjes, ik lees ze ook niet voor. Lezen moet Paultje maar op school doen later, daar heb ik het te druk voor. Ik begin me nu wel een beetje zorgen te maken, de piepers staan al veel te lang op en de boontjes worden nu veel te gaar, van de karbonades zal nu ook wel niet veel overblijven, helemaal droog en taai straks, waar kan dat jong toch zitten. In de verte achter het struikgewas zie ik iets geels oplichten, is dat wat ik denk dat het is? Wanneer ik me door de struiken heen geworsteld heb ben ik op een open plek aangekomen. Zelfs ik voel de stilte, de rust die hier hangt, rust en stilte waar je alleen respect voor kan hebben. Daar een paar meter verderop, aan de oever van een groot, glad meer, ligt een geel, plastic emmertje. Het emmertje van Paultje, ja ik weet het zeker, dit is het emmertje van Paultje. Ik voel meteen ergernis in me opkomen, zelfs hier op deze mooie plek, waar geen rimpeltje het gladde water verstoord, waar geen wolkje de blauwe lucht vervuild, waar geen blaadje op de grond niet op zijn plaats ligt, laat Paultje zijn rommel achter. Ik ben er even stil van en staar een tijdje naar het plastic emmertje. Dan begint me iets op te vallen, deze mooie plek waarvan ik aanvankelijk dacht dat hij zo stel en rustig was, is het toch niet zo. In een keer hoor ik een heleboel geluiden. Ik hoor de blaadjes van het struikgewas ritselen en knisperen, het loof van de bomen hoor ik fluisteren, het gladde water borrelen en bruisen. Het borrelen en bruisen zwelt zelfs aan, tot een oorverdovend lawaai. Ik zie het nu ook bewegen. Eerst bellen die aan de oppervlakte openbarsten en dan golfbewegingen. Golven die iets naar het wateroppervlakte omhoog spuwen en daarna naar de waterkant stuwen om iets roods voor mijn verkilde voeten neer te leggen. Ik hoef mijn ogen niet samen te knijpen om te zien dat het een klein rood laarsje is.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *