Een lange weg

Een lange weg

Eenzaam rijdt de Citroën C4 over de lange dijk. Het is zondagochtend, geen kip op straat. Saai zou je zeggen, geestdodend. Zo niet voor Thijs. Thijs vindt dit wel prettig. Hij heeft zijn blik op het grijze asfalt voor hem gericht. Het grijze asfalt dat zich nog kilometers voor hem uitstrekt, door niets onderbroken, steeds hetzelfde, rustig. Lekker rustig, net zoals dat plekje in zijn hoofd. Dat plekje waar hij zich ook nu heeft teruggetrokken.

 

‘Eens kijken, heb ik alles bij me’ Irmtrauds blik schiet rusteloos van de gevulde boodschappentas tussen haar benen, de grijze asfaltweg voor haar, via de grote zwijgende man in de bestuurders stoel, naar haar drie opgeschoten zonen op de achterbank. Ze kijkt snel weer voor zich, alsof ze de harde stomp die haar oudste haar jongste uitdeelt niet heeft gezien. Ze zitten niet direct naast elkaar, maar hij weet hem goed te raken. ‘Sterk zijn ze, mijn jongens’ denkt ze niet zonder trots, met een vage glimlach, ook de schermutselingen die volgen op de stomp negerend. Haar glimlach verandert weer in een rusteloze blik als ze de boodschappentas in het vizier krijgt. ‘Eens kijken; genoeg broodjes om de eerste dag door te komen, thermoskan koffie, fles cola, chips en snoep natuurlijk, in de kattenbak twee grote weekend tassen met kleding, toiletspullen, genoeg handdoeken, beddengoed….. in de kattenbak ja denkt ze geïrriteerd. Ze zijn nu al een uur onderweg en na de gezellige chaos van het volstouwen van de Citroën, het zoeken van de sleutels en het instrueren van de buurvrouw, die al nieuwsgierig was komen kijken naar al die ophef kan Irmtraud het donkerbruine vermoeden dat ze iets vergeten is niet van zich afzetten. Haar ogen volgen weer de zelfde route; boodschappentas, asfaltweg, op haar man blijven ze rusten: ‘volgens mij ben ik wat vergeten Thijs?! En dan als er geen reactie komt, ‘waar zit je nu toch weer met je gedachten, je lijkt weer mijlen ver weg’.

 

‘Auw’ dat deed pijn, nu moet hij wel wat terug doen, de stomp is te hard om te negeren. Hij moet zich in allerlei bochten wringen om achter zijn broer Arend langs te reiken en de geweldenaar lik op stuk te geven. Zijn armen zijn echter net iets te kort en terwijl zijn oudste broer Mark zich behaaglijk en extra lui uitrekt, terwijl hij zich tegen zijn fleecetrui tegen de linker portier drukt, wordt Simon steeds driftiger in een poging hem een flinke oplawaai te verkopen, hij zal hem leren, die rotzak…

 

‘Nog even kort mijn ogen dicht doen, kan wel even, kan ik dadelijk die kleine etter nog een stomp in zijn ribben geven. Als hij erom vraagt en dat doet ie altijd.’ Mark maakt het zichzelf extra gemakkelijk tegen zijn zachte fleecejas aan, achter zijn gesloten oogleden komen al beeltenissen naar boven van zijn zachte kussen en warme dekbed thuis. Waar hij nog een jaar geleden energiek, ook in de vakanties s’ ochtends vroeg zijn bed is uitgesprongen, kan hij nu een gat in de dag slapen. Waar dat aan ligt weet hij niet, daar staat hij niet bij stil, wel weet hij nog hoe lekker hij lag te slapen, met Poes aan zijn voeteneinde, terwijl het hele huis in rep en roer was, omdat het gezin zo nodig ‘gezellig op vakantie moet’. Hij vindt het verder allemaal prima, in de geboekte bungalow zal ook wel een bed staan waar hij uit kan slapen. Met zijn ogen stijf dicht blijft hij zo lang mogelijk liggen, net zo lang totdat hij zijn naam drie keer heeft horen roepen, de laatste keer met meer nadruk en met de toevoeging ‘ga jij ook nog mee’ er achteraan. Dan laat hij zich uit bed rollen, grist een spijkerbroek en t shirt van de grond die hij gehaast aantrekt, wurmt zijn nog in sokken gehulde voeten in een paar sneakers en grijpt onderweg naar de deur een boek van zijn nachtkastje en zijn fleece van zijn stoel. Hij neemt nog wel even de tijd zijn kamerdeur zorgvuldig af te sluiten, daar heeft niemand iets te zoeken, voordat hij zijn jongste broer omverduwt om als eerste van het gezin in de Citroën plaats te nemen.

 

Arend kijkt, iets naar voren gebogen strak naar buiten, zoekend naar iets wat als afleiding kan dienen voor het kleine om zich heen slaande rotzakje naast zich. Hij zal dadelijk moeten ingrijpen voordat het schoppen en slaan uit de hand loopt, maar ziet echter niets in het eentonige landschap wat daarbij als hulp kan functioneren. Voor zich ziet hij zijn moeder zenuwachtig om zich heen kijken, er is iets…

 

‘Prrrrrrrrr…, dat was een lekker tukje.’ Een voor een strekt de grote zwarte kater zijn ledematen uit, terwijl hij zijn nagels behaaglijk in het beddengoed klauwt. Vervolgens maakt hij een beweging die veel wegheeft van een yoga oefening, met zijn kont en staart in de lucht. Met veel souplesse is hij ineens op de vensterbank gesprongen en vervolgt daar geconcentreerd de bewegingen van een merel, die op zijn beurt in het gras van de tuin, aan de andere kant van het (dichte en enige) slaapkamerraam, naar een worm aan het pikken is. De kater kan twee dingen tegelijk. Terwijl hij verlekkerd de bewegingen van de merel volgt, bedenkt hij wat hij vandaag het eerst gaat doen. Er zijn een aantal dingen die hoog op zijn prioriteitenlijst staan. 1. De brokjes die waarschijnlijk in de keuken op hem staan te wachten. 2. Hij moet serieus zijn markeringen in zijn gebied nog eens nagaan en verversen. 3. Die merel vraagt erom besprongen te worden, alsmede de buurpoes, dat kan eigenlijk ook niet wachten en ohja, een gat graven in het fijne zand van de zandbak van het buurjongetje om daar zijn uitwerpsels te deponeren. Dat genoegen kan hij wel even ophouden, dat kan wel op nummer 4. Heel galant, alsof hij helemaal geen haast en het niet ontzettend druk heeft, springt hij via het bed op de grond en loopt met de air van een president van een grootmacht naar de slaapkamerdeur. Arrogant gaat hij zitten en probeert met zijn poot de deur, die gewoonlijk op een keer staat, een stukje open te krijgen. Dat lukt niet. Er ontsnapt hem een teleurgestelde en iets minder arrogante Miauw. Dan valt hem iets op, hij spert zijn grote groene ogen wijd open. Het is hier veel te rustig. Er is helemaal geen geluid in dit huis. In dit zo chaotische huis, waar altijd wel een iemand van het ontzettende irritante gezin aanwezig is die altijd wel een of ander geluid of vervelende geur veroorzaken is nu op dit moment niets te merken. Deze mensen die alleen maar verdraagbaar zijn als warmte bron als ze ergens op liggen en soms als ze hem precies op het goede moment en op de goede plek achter zijn oor kroelen of over zijn rug aaien, zijn op dit moment nergens te bekennen. De kater loopt een teleurgesteld rondje op zijn plek alvorens weer te gaan zitten en het nog eens met zijn  poot te proberen. Nee geen beweging, geen geluid en geen geur, anders dan die van zijn huis met zijn spullen. Met felle, toegeknepen ogen kijkt hij naar de deur, laat nog een harde boze miauw horen en dan valt het hem plotseling in. Ze zijn WEG. Van schrik spert hij zijn ogen wijd open en laat hij alles lopen. Ook de opgespaarde uitwerpselen liggen nu op de vloerbedekking van de jongenskamer, naast Poes die er roerloos naast ligt starend naar een poster van een auto die door een dor landschap onderweg is naar zijn bestemming.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *