Zwoele zomermiddag

Zwoele zomermiddag

Fragment uit Verloren in de Viller Muhle

Hier loopt hij dus, zomaar willekeurig ergens naartoe, waar zijn benen hem heenbrengen. De sporadische boerderij waar hij langs loopt ligt er dromerig bij, de koeien in de wei, bij elkaar gekropen in de schaduw van een paar bomen, staren hem lodderig aan een paard kijkt op van het grazen doet een paar stappen in zijn richting, maar laat zijn hals dan weer zakken om verder te grazen, alsof elke andere inspanning hem te veel is. Jannes slaat een, door al die droogte, zanderige landweg in, die aan weerszijde begroeid is met bomen, die voor een aangename schaduw zorgen. Door de aangenamere temperatuur komt hij weer wat bij zinnen en als hij om zich heen kijkt herkent hij de omgeving van zijn vele wandelingen van eerder, maar zou op dat moment niet kunnen zeggen waar hij is. Hij begint honger te krijgen, misschien wordt het eens tijd om naar huis te gaan, kijken of hij het goed kan maken met Annemijn, laten zien dat hij van haar houd, dat hij er echt wel voor haar kan zijn. Zijn maag begint te knorren, met zijn tong gaat hij langs zijn droge lippen, hoelang is hij eigenlijk al onderweg? Als hij besluit om terug te lopen, om de snelste weg naar huis te vinden, lopen zijn benen toch nog een stukje door, de flauwe bocht in die de met bomen om zooide landweg maakt. De bomen maken plotseling plaats voor een open plek met in het midden een grote visvijver en hij blijft als versteent staan als hij deze plek herkent, hij is hier al eerder geweest, het is een plek om te blijven, om even stil te staan bij het leven en alle zorgen van je af

te laten glijden. Het monument staat er nog steeds, bijna niet te herkennen, overwoekerd door brandnetels en wilde wingerd, daarachter de vissershut die nu meer wegvalt in de schaduw waar de woekerende beplanting voor zorgt. Ook de stilte overvalt hem plotseling weer, golft over hem heen met een kracht die hij nauwelijks kan verdragen. Als in een droom loopt hij naar de brug die er nog precies hetzelfde bij ligt als een half jaar geleden, de leuning half weggerot en de planken glibberig van de algen. Als hij in het midden van de brug blijft staan, vlak bij de houten paal kijkt hij over het meer heen, hij moet even zijn ogen dicht doen tegen de stralen van de zon die erg laag staat alsof ze, net als hij, zich langzaam in de vijver wil onderdompelen. Nog voor hij zijn ogen opendoet voelt hij haar aanwezigheid, ze staat naast hem en pakt zijn hand vast die ze zachtjes drukt. ‘Ben jij het echt?’ vraagt hij als hij in haar vertrouwde bruine ogen kijkt. Hij knippert even met zijn ogen, als een test, maar als hij weer goed kijkt staat ze er nog. Ze glimlacht, haar bruine ogen schitteren en staan vriendelijk, haar rode lippen verleidelijk, al het andere aan haar is blank en zacht.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *